Balans tussen loslaten en sturen

Als ik de kinderen zoveel mogelijk initiatief moet laten nemen, wil dat dan zeggen dat ik niet meer mag tussenkomen, en enkel voor geschikte uitdagingen en materialen moet zorgen?

Het is soms moeilijk om een goede balans te vinden tussen sturen en loslaten. Als je de kinderen vrijblijvend laat experimenteren, kunnen ze zelf wel tot bepaalde ontdekkingen komen, maar het gaat vaak niet om blijvende inzichten. Daarom is een zekere sturing wel nodig. Maar hoever je hierin gaat is moeilijk objectief neer te schrijven. Dit hangt af van de voorkennis van de kinderen en van het onderwerp.

Bij een activiteit zoals het maken van een goede zeepbellenoplossing bijvoorbeeld, is de kans reëel dat dit zonder begeleiding blijft bij het 'bij elkaar gieten van verschillende stoffen'. Dit is niet wat we uiteindelijk willen bereiken. Daarom zal de begeleider dit experimenteren op een bepaald moment moeten stopzetten, om de kinderen te wijzen op het uiteindelijke doel van de activiteit. Vervolgens worden ze gestimuleerd om keuzes te maken, bijvoorbeeld onderzoeken wat het effect is van de zeepsoort. Dat wil zeggen dat ze het water en de suiker niet mogen veranderen, maar enkel de zeepsoort. In dit voorbeeld merk je een duidelijke sturing, maar wel geïnitieerd en gekozen door het kind. Hij/zij beslist wat hij/zij verder wil onderzoeken. De experimenteerfase is hierbij essentieel, en duurt afhankelijk van de leeftijd en de voorkennis korter of langer, maar daarna volgen meer onderzoeksgerichte fasen.

Dit kan ook minder gestuurd dan in het voorgaande voorbeeld verlopen. Door het stellen van gerichte vragen bijvoorbeeld ondersteun je de kinderen ook al om verder na te denken over hun onderzoek. Op dat moment stuur je ook enigszins, zodat ze niet bij het puur experimenteren blijven.