Over de workshops

Zodra er een nieuw aanbod workshops is, kan je hier praktische informatie vinden.

Over onderzoekend leren

Wil je aan de slag maar weet je niet goed hoe? Enkele tips:

Moet ik veel of net weinig materiaal voorzien?

Een grote variatie aan materialen stimuleert de creativiteit om eigen ideeën uit te testen, en allerlei ervaringen op te doen. Zo kan je bijvoorbeeld meerdere soorten lijm aanbieden als kinderen een toren van kartonnen kokers willen maken. Ze bepalen zelf welke lijm ze gebruiken, en ervaren zelf het effect van de gekozen lijmsoort als ze controleren of de toren stevig is. Dat wil dus ook zeggen dat je hen niet tegenhoudt als ze dit met een lijmstift proberen… Op deze manier doen de kinderen materialenkennis op, die ze later kunnen gebruiken in andere contexten.


Voor kinderen die weinig materialenkennis hebben, kan het soms aangewezen zijn niet teveel materialen aan te bieden, maar keuze te laten uit slechts enkele soorten materialen. Dit kan ook interessant zijn bij kinderen met een grotere materialenkennis. Door materialen te beperken stimuleer je hun onderzoekende houding ook, aangezien ze naar een alternatief op zoek moeten gaan.


Je kan materialen toevoegen naarmate de activiteit vordert, of net wegnemen. Als je bijvoorbeeld weet dat één ingrediënt zorgt dat elk mengsel kleeft, kan je ervoor opteren dit ingrediënt niet van bij de start van de activiteit aan te bieden. Zo leren de kinderen ook de andere materialen kennen.  

Als ik de kinderen zoveel mogelijk initiatief moet laten nemen, mag ik dan niet meer tussenkomen?

Het is soms moeilijk om een goede balans te vinden tussen sturen en loslaten. Als je de kinderen vrijblijvend laat experimenteren, kunnen ze zelf wel tot bepaalde ontdekkingen komen, maar het gaat vaak niet om blijvende inzichten. Daarom is een zekere sturing wel nodig. Maar hoever je hierin gaat is moeilijk objectief neer te schrijven. Dit hangt af van de voorkennis van de kinderen en van het onderwerp.


Bij een activiteit zoals het maken van een goede zeepbellenoplossing bijvoorbeeld, is de kans reëel dat dit zonder begeleiding blijft bij het 'bij elkaar gieten van verschillende stoffen'. Dit is niet wat we uiteindelijk willen bereiken. Daarom zal de begeleider dit experimenteren op een bepaald moment moeten stopzetten, om de kinderen te wijzen op het uiteindelijke doel van de activiteit. Vervolgens worden ze gestimuleerd om keuzes te maken, bijvoorbeeld onderzoeken wat het effect is van de zeepsoort. Dat wil zeggen dat ze het water en de suiker niet mogen veranderen, maar enkel de zeepsoort. In dit voorbeeld merk je een duidelijke sturing, maar wel geïnitieerd en gekozen door het kind. Hij/zij beslist wat hij/zij verder wil onderzoeken. De experimenteerfase is hierbij essentieel, en duurt afhankelijk van de leeftijd en de voorkennis korter of langer, maar daarna volgen meer onderzoeksgerichte fasen.


Dit kan ook minder gestuurd dan in het voorgaande voorbeeld verlopen. Door het stellen van gerichte vragen bijvoorbeeld ondersteun je de kinderen ook al om verder na te denken over hun onderzoek. Op dat moment stuur je ook enigszins, zodat ze niet bij het puur experimenteren blijven.

Hoe zorg ik dat kinderen tot nieuwe inzichten komen, en hoe kan ik toetsen wat ze hebben geleerd?

Een belangrijk element in dergelijke activiteiten is het 'vastzetten' van het onderzoeksproces en de ontdekkingen. Door de ervaringen in beeld te brengen of te uiten, beklijven ze beter. Hierdoor blijft de kennis beter hangen, en kunnen observaties of ontdekkingen nog bediscussieerd en eventueel verfijnd worden. Kinderen zullen de opgedane kennis kunnen gebruiken in andere situaties, waar ze opnieuw kunnen aftoetsen of ze ook daar van toepassing zijn.

Deze 'vastzettingen' zijn ook interessant voor de begeleider als toetsing. Op basis van deze beelden of uitingen kan de begeleider nagaan wat de kinderen is bijgebleven, en of ze dit op een juiste manier geïnterpreteerd hebben. Je zou kinderen daarenboven kunnen stimuleren om zelf na te gaan of hun ontdekkingen wel helemaal juist zijn.

Enkele mogelijke manieren van 'vastzetten' zijn:

  • vertellen tijdens en/of na de activiteit
  • tekenen
  • noteren (bijvoorbeeld op een etiket op een potje)
  • uitbeelden
  • onderzoeksboek samenstellen
  • tekening of stappenplan maken voor een ander kind dat erop verder werkt
  • foto’s nemen
  • filmpje maken
  • naspelen
  • uitleggen aan elkaar
  • bespreken en bediscussiëren
  • resultaten neerschrijven
  • een grafiek tekenen

Moet ik alle moeilijke wetenschappelijke principes waarmee de kinderen in contact komen uitleggen?

Het antwoord hierop is uiteraard neen. Je kan jonge kinderen geen moeilijke principes verduidelijken door ze uit te leggen, maar je kan hen deze wel laten ervaren. Als je zelf enige kennis hebt over de principes, kan je doelbewust materialen kiezen of situaties aanbieden, zodat kinderen impliciete kennis opdoen. Zo voorkom je tegelijkertijd misconcepties (= foutieve of onvolledige kennis over een wetenschappelijk concept), die moeilijk terug af te leren zijn.


Een veel voorkomende misconceptie is bijvoorbeeld dat zwaardere voorwerpen zinken, terwijl lichte voorwerpen drijven. Dit klopt niet. Dit kan al door zeer jonge kinderen worden ervaren door hen met zware voorwerpen met een laag soortelijk gewicht in water te laten spelen. Denk bijvoorbeeld aan een grote houten boot. Deze blijft drijven, waardoor kinderen ervaren dat het al dan niet zinken niet wordt veroorzaakt door het gewicht van het voorwerp.

Aan welke ontwikkelingsdoelen of eindtermen werk ik bij dergelijke activiteiten?

Er zijn heel wat doelen van toepassing bij onderzoeksgerichte activiteiten. Voor deze website beperken we ons tot de leergebieden 'wetenschappen & techniek' en 'mens & maatschappij', maar door kinderen dergelijke activiteiten te laten uitvoeren, bevorder je nog tal van andere ontwikkelingen:

  • Zo is taal heel belangrijk bij het verwerken, uitleggen, neerschrijven, lezen, … Doordat taal aan bod komt in een betekenisvolle situatie, zijn kinderen vaak heel gemotiveerd met taal bezig.
  • Daarnaast zijn ook sociale vaardigheden van belang. Samen onderzoeken, meningen uitwisselen, discussiëren, uitleggen, … zorgen voor een rijker onderzoek en voor meer ontdekkingen.
  • Ook de andere domeinen kunnen aan bod komen. Creativiteit en een onderzoekende houding kunnen doorheen de dag gestimuleerd worden, in wat voor activiteit dan ook.

Aangezien voor veel gelijkaardige activiteiten de doelen dezelfde zijn, staan de doelen niet opgelijst op de fiches, maar krijg je hier per soort activiteit een overzicht. Daaruit kan je gemakkelijk selecteren welk doel voor jouw activiteit meest van toepassing is.

Onderzoeksactiviteiten (algemeen)

Ontwikkelingsdoelen 'wetenschappen & techniek'

1.1 De kleuters kunnen verschillen onderscheiden in geluid, geur, kleur, smaak en voelen.
1.4 De kleuters kunnen organismen en gangbare materialen ordenen aan de hand van eenvoudige, zelf gevonden criteria.
2.1 De kleuters kunnen van technische systemen die ze zelf vaak gebruiken, aangeven of ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof.
2.2 De kleuters kunnen van een eenvoudig technisch systeem uit hun omgeving aantonen dat verschillende onderdelen ervan in relatie staan tot elkaar in functie van een vooropgesteld doel.
2.3 De kleuters kunnen in een eenvoudige situatie nagaan welk technisch systeem best tegemoet komt aan een behoefte.
2.4 De kleuters kunnen ideeën bedenken voor een eenvoudig technisch systeem.
2.5 De kleuters kunnen geschikt materiaal en gereedschap kiezen voor het realiseren van een eenvoudig technisch systeem.
2.8 De kleuters zijn bereid hygiënisch, veilig en zorgzaam te werken.
2.9 De kleuters tonen een experimentele en explorerende aanpak om meer te weten te komen over techniek.

Ontwikkelingsdoelen 'mens & maatschappij'

1.3 De kleuters tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden.

Onderzoekende activiteiten in/met de natuur

Ontwikkelingsdoelen 'wetenschappen & techniek'

1.2 De kleuters tonen een explorerende en experimenterende aanpak om meer te weten te komen over de natuur.
1.3 De kleuters kunnen met hulp van een volwassene, eenvoudige bronnen hanteren om meer te weten te komen over de natuur.
1.13 De kleuters tonen een houding van zorg en respect voor de natuur.

Ontwerpactiviteiten

Ontwikkelingsdoelen 'wetenschappen & techniek'

2.1 De kleuters kunnen van technische systemen die ze zelf vaak gebruiken, aangeven of ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof.
2.3 De kleuters kunnen in een eenvoudige situatie nagaan welk technisch systeem best tegemoet komt aan een behoefte.
2.4 De kleuters kunnen ideeën bedenken voor een eenvoudig technisch systeem.
2.5 De kleuters kunnen geschikt materiaal en gereedschap kiezen voor het realiseren van een eenvoudig technisch systeem.
2.6 De kleuters kunnen een eenvoudig technisch systeem maken, al dan niet aan de hand van een stappenplan.
2.7 De kleuters kunnen nagaan of het doel werd bereikt met een zelfgemaakt technisch systeem.     
2.8 De kleuters zijn bereid hygiënisch, veilig en zorgzaam te werken.
2.9 De kleuters tonen een experimentele en explorerende aanpak om meer te weten te komen over techniek.

Ontwikkelingsdoelen 'mens & maatschappij'

3.3 De kleuters tonen in concrete situaties voldoende zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden.

Onderzoekend op uitstap

Ontwikkelingsdoelen 'mens & maatschappij'

2.1 De kleuters kunnen beroepen en bezigheden van volwassenen die ze kennen op een eenvoudige wijze beschrijven.
4.9 De kleuters kunnen verschillen in landschappen en omgevingen, door mensen ingericht, verwoorden.

Staat het verloop van de activiteiten concreet uitgeschreven in de activiteitenfiches?

Wat is het niet?

  • stappenplannen systematisch volgen
  • puur vrij experimenteren
  • zeer gestuurde richtlijnen

Wat is het wel?

  • kinderen doen zelf ontdekkingen
  • kinderen worden (of blijven) nieuwsgierig
  • hoge betrokkenheid creëren om zelf antwoorden te vinden op eigen vragen
 
 

Wat als de kinderen me vragen stellen waarop ik het antwoord niet ken?

Ik ben zelf niet zo’n kei in wetenschap en techniek. Kan ik deze activiteiten dan wel aanbieden? Wat als de kinderen me vragen stellen waarop ik het antwoord niet ken?

Aansluitend bij de tip rond het verklaren van wetenschappelijke principes, deze tip met betrekking tot het belang van achtergrondkennis. Een basis aan kennis van wetenschappelijke principes is meegenomen, omdat je de kinderen zo soms voor meer uitdagingen kan stellen. Je hoeft echter geen wetenschapper te zijn om de onderzoekende houding van kinderen te stimuleren. Door samen met de kinderen op zoek te gaan naar antwoorden, toon je jezelf ook nieuwsgierig en onderzoekend, en verrijk je tegelijkertijd je eigen kennis.

Als je bijvoorbeeld een goede zeepbellenoplossing wil laten maken door de kinderen, zoek je waarschijnlijk zelf eerst enkele recepten op. Hierdoor merk je dat er vaak zowel een zeep, water alsook nog een derde stof in de mengsels zit. Na wat opzoekwerk weet je dat dit suikers zijn, die de vochtigheid in de zeepbel vasthouden. Deze kennis zorgt ervoor dat je de kinderen een variatie aan zeepsoorten, watersoorten én suikers zal aanbieden, om na te gaan welke combinatie voor de beste zeepbellen zorgt. 

Welke houding neem ik zelf best aan als begeleider?

Neem ik best wat afstand of doe ik mee?

Als je zelf enthousiast en nieuwsgierig bent, stimuleer je deze houding automatisch ook bij kinderen. Door jezelf als mede-onderzoeker op te stellen, ervaren kinderen dat ze zichzelf ook vragen mogen stellen. Tijdens een leeruitstap in de natuur kan je bijvoorbeeld samen met hen in een natuurgids op zoek gaan naar welk dier het spoor zou kunnen gemaakt hebben. Je hoeft zelf niet alles te weten, soms kan het stimulerend zijn om samen informatie te vergaren. Let wel: enige achtergrondkennis is wel noodzakelijk, om foute interpretaties (misconcepties) bij de kinderen te vermijden (zie ook andere tips).


Een juf aan het woord: “Om de verwonderde en nieuwsgierige houding van jonge kinderen verder te ontwikkelen en hen tot echte inzichten te laten komen, is onze begeleiding cruciaal."

Hoe lang duurt een dergelijke activiteit?

Kinderen hebben tijd en ruimte nodig om te onderzoeken. Dit varieert van onderwerp tot onderwerp, maar ook van kind tot kind. Duidelijk is wel dat een activiteit van een uur meestal niet lang genoeg is om kinderen zelf tot ontdekkingen te laten komen.

Het proces is belangrijker dan het uiteindelijke product. De kinderen moeten hiervoor dus voldoende tijd krijgen.

Hoe begin je aan dergelijke activiteiten?

 Het vertrekpunt van een activiteit is vaak een ervaring of een vraag van kinderen. Je kan er meteen op inspelen. Of je kan eerst wat achtergrondinformatie opzoeken en er een passende activiteit bij bedenken. De betrokkenheid zal sowieso hoog zijn, en de kinderen zullen intrinsiek gemotiveerd zijn om een antwoord te vinden op hun vragen.

Daarom is het belangrijk kinderen goed te observeren. Door naar hen te kijken en te luisteren, vang je al snel op wat hen boeit, en waarover ze zich vragen stellen. Je ziet hoe ze met materialen omgaan, en welke ideeën ze hebben. Door dit te weten kan je activiteiten aanbieden die hierbij aansluiten. Ook tijdens een activiteit goed observeren zorgt dat je sneller kan inspelen, bijvoorbeeld  door materiaal toe te voegen of weg te nemen, extra informatie te geven, enzovoort.

Welk soort vragen stel ik best tijdens dergelijke activiteiten?

Bij de activiteitenfiches staan soms voorbeeldvragen die je kan stellen om kinderen te begeleiden bij het onderzoek. Er zijn heel wat algemene vragen en opdrachtjes die je kan gebruiken om de onderzoekende houding van de kinderen te stimuleren. Enkele mogelijkheden zijn:

  • Wanneer kinderen blijven experimenteren, gerichte vragen stellen zoals: 'Wat denk je, wat werkt best? Heb je het al eens geprobeerd met dit product? …'
  • Als kinderen het willen opgeven nieuw materiaal aanreiken waarvan je weet dat het zal werken. 'Welk materiaal heb je al uitgetest? Heb je dit al eens geprobeerd?'
  • Stimuleren om eens te kijken bij hun buur, te vergelijken met elkaar.
  • Verwijzen naar de doelen of criteria: 'Hoe kan je het nog sneller laten bewegen?'
  • Laten samenwerken, samen denken, peer-werking, elkaar instructies laten geven.
  • Stimuleren om het ontwerp uit te proberen, te evalueren, aan te passen, eventueel eerst voorspellingen laten doen.
  • De onderzoekende activiteit zeker steeds bespreken (zie ook terugblik op de activiteitenfiches): laten vertellen, demonstreren, werkwijze en resultaten laten presenteren, kans bieden tot discussie, misschien volgen er ideeën voor volgende onderzoekjes?
  • Steeds stimuleren om in een onderzoeksactiviteit, na het experimenten, één variabele tegelijkertijd te veranderen, en zo tot een echt vergelijk te kunnen komen (bijvoorbeeld mengsel om baksteentjes te laten kleven: steeds met hetzelfde zand en ongeveer evenveel water, enkel variëren wat wordt toegevoegd, zoals bloem, maïzena, …).
  • Tijdens een onderzoeksactiviteit kan je kinderen theorieën laten uitwisselen. Ze leren op die manier elkaars standpunt waarderen, komen tot extra ideeën en worden kritischer over eigen interpretaties, voorspellingen en theorieën.

Ik voel me onwennig en heb moeite om mijn voorbereidingen los te laten. Hoe kan ik klein beginnen?

Het is normaal dat je je in het begin onwennig voelt. Alle begin is moeilijk, maar start klein en voel zelf hoe hoog het welbevinden en betrokkenheid van je kinderen zijn als ze onderzoekend aan de slag mogen gaan!

Het makkelijkste is om bij een eerste activiteit van een stappenplan te vertrekken, en per stap na te denken hoe je dit onderzoekend kan maken. Eens dit goed lukt, kan je steeds meer 'loslaten' en uiteindelijk een ganse onderzoeksactiviteit zelf begeleiden! Durven is de boodschap, je hebt echt niets te verliezen!

Voorbeeld 1: Probeer eens bij een stappenplan om een papieren vliegtuigje te maken een steviger papiersoort te gebruiken en evalueer wat de beste vlieger oplevert: stevig of dun papier?

Voorbeeld 2: Zou een kookactiviteit 'pannenkoeken bakken' ook lukken zonder eieren? Of met water, fruitsap, ... (een andere vloeistof dan melk)? Verandert dit iets aan de textuur of smaak van de pannenkoek?